Nieuws

Unieke taalkundedag op Guido de Brès

Op vrijdag 4 maart werd op de locatie Tweede Fase een taalkundedag georganiseerd voor leerlingen in vwo5. Wetenschappers van diverse Nederlandse universiteiten gaven op inspirerende en uitdagende wijze workshops over verschillende aspecten van taal. Nog niet eerder hebben er zoveel wetenschappers hun enthousiaste medewerking gegeven aan een soortgelijk programma van een middelbare school. 

De dag begon met een hoorcollege van prof. dr. Marc van Oostendorp, senior-onderzoeker op het Meertens Instituut, hoogleraar aan de Universiteit Leiden en bekend van uitzendingen van televisieprogramma Universiteit van Nederland.

Na het hoorcollege verspreidden de leerlingen zich in het gebouw om workshops te volgen

“Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?” Het oudste Nederlands dat we kennen, maar wat staat er eigenlijk? Of, hoe kan het dat een baby moeiteloos taal leert? Waarom kunnen Chinezen geen onderscheid maken tussen een r en een l? Is Nederlands een moeilijke taal? Waarom kan je wel zeggen dat iets je niet in de kouwe kleren is gaan zitten, maar kan je dat niet positief zeggen: het is hem in de kouwe kleren gaan zitten? Doet schelden echt pijn? Hoe heeft onze taal zich door de eeuwen heen ontwikkeld? Leerlingen deden fanatiek mee met een quiz of zaten geboeid te luisteren, want als je eenmaal gaat nadenken over taal, blijven er steeds weer nieuwe vragen opkomen. Voldoende vragen om volgend jaar mogelijk een vervolg te geven aan deze succesvolle dag.

Hoorcolleges en workshops op de taalkundedag

Aanbod workshops:

Prof.dr. Paula Fikkert, Radboud Universiteit Nijmegen: Taalverwerving bij baby’s

Als je over het leren van een taal nadenkt, weet je waarschijnlijk wel het een en ander over hoe je Franse woordjes leerde of de naamvallen in het Duits, maar over je moedertaal zul je je weinig herinneren.  Die taal spreek je gewoon en voor zover je je kunt herinneren heb je dat altijd gedaan. Dat is de normaalste zaak van de wereld en is als het ware vanzelf gegaan. Toch heb je die taal ook geleerd. In deze workshop gaan we ontdekken welke stappen je gezet moet hebben om je moedertaal te leren. We bespreken hoe onderzoekers er proberen achter te komen wat baby’s al van hun moedertaal weten, en bespreken welke invloed je moedertaal heeft op het leren van een vreemde taal.

Prof.dr. Mirjam Ernestus / Annika Nijveld MA, Radboud Universiteit Nijmegen: Halve woorden

In gesprekken met vrienden spreek je woorden vaak maar half uit. Je zegt “tuuk” in plaats van “natuurlijk” en “wes” voor ????? (wat denk je?). Ook al zijn we ons van deze halve woorden niet bewust, we begrijpen ze prima. Tenzij je naar een andere taal luistert, want dan wordt het ineens een stuk lastiger. In onze workshop maken we je bewust van halve woorden in het Nederlands en in andere talen, met audio- en videomateriaal. Bovendien doe je mee aan luisterexperimenten die we uitgevoerd hebben om te onderzoeken hoe we halve woorden in onze moedertaal verstaan en waarom het zo lastig is om ze te begrijpen in een andere taal.  Natuurlijk vertellen we jullie ook de uitkomsten van ons nieuwste onderzoek.

Dr. Jacqueline Evers-Vermeul, Universiteit Utrecht: Schoolteksten en toetsvragen: snap jij er wat van?

Teksten in je schoolboeken en toetsvragen zijn de ene keer heel makkelijk te volgen en de andere keer lastig te begrijpen. Kunnen we dat verklaren vanuit de taal die in die teksten en toetsen gebruikt wordt? In deze workshop kijken we naar taalkenmerken die je tekstbegrip beïnvloeden en staan we stil bij verschillende manieren waarop je daar onderzoek naar kunt doen. Hierbij leer je onder andere wat onderzoekers ontdekken door te kijken naar de oogbewegingen van lezers.

Ave Luth MA, Universiteit Leiden: Framing

Wil jij weten wat kopvoddentaks, een plofkip, een sprinter van de NS en een halfvol glas met elkaar te maken hebben? Kom dan naar deze workshop over framing. Elke dag gebruiken we taal om met elkaar te communiceren, maar wist je dat je mensen met taal ook kunt sturen? Ook jij wordt elke dag allerlei richtingen opgestuurd met taal, zonder dat je het doorhebt! In deze workshop leer je onder andere wat framing is en hoe politici framing inzetten om te overtuigen. We gaan samen frames opsporen en je ontdekt hoe ook jij je omgeving met frames kunt beïnvloeden.

 Dr. Jing Lin, Universiteit van Amsterdam: Hoe leren kinderen wat ze niet moeten zeggen? Ontwikkeling van hoeven in Nederlandse kindertaal

We hebben allemaal intuïtie over de taal die we als kind hebben geleerd, dat is: onze moedertaal. Zo vinden alle moedertaalsprekers van het Nederlands dat Max hoeft Marie te zoenen raar in de oren klinkt. Onze intuïtie zegt dat het namelijk Max hoeft Marie niet te zoenen is omdat we “weten” dat hoeven niet gebruikt kan worden zonder niet. Maar waarom mag hoeven alleen maar gebruikt worden met ontkennende woorden zoals niet? Hoe weten kinderen dat?  Maken ze fouten en spreken ze zinnen uit zoals ik hoef een snoepje te eten? In deze workshop zal ik ingaan op dit soort vragen door jullie twee onderzoeken te presenteren naar de verwerving van hoeven. Ik zal jullie laten zien dat taalverwerving vlekkeloos kan verlopen.

Dr. Pablo Irizarri van Suchtelen, Universiteit van Amsterdam: Talen in Nederland

Hoe klinkt Rifberbers? Wat voor taal spreken Hindoestaanse Surinamers? Wat is het verschil tussen Mandarijns Chinees en Kantonees Chinees? En tussen Turks en Nederturks? In deze multimediale quiz kun je je kennis over en van talen in Nederland inzetten, en maak je tegelijk kennis met lopend taalkundig onderzoek.

Nederland is een bijzonder veeltalig land en daarmee een goudmijn voor taalkundigen. Pablo Irizarri van Suchtelen en zijn collega’s van de Nijmeegse onderzoeksgroep Multilingual Netherlands houden zich bezig met vragen als: hoe ontwikkelen de talen in Nederland zich? Leren de nieuwe generaties de thuistaal net zo vloeiend als de ouders? Hebben ze een Nederlands accent als ze hun thuistaal spreken?

Dr. Jan Don, Universiteit van Amsterdam: Een woordenboek in je hoofd?

In je hoofd zit een ongelooflijke hoeveelheid woorden. Van aal tot zwijnestal heb je er in de Dikke Van Dale zo’n 300.000 en ook al ken je die vast niet allemaal, in deze workshop zullen we zien dat je er eigenlijk nog veel meer kent. Sterker: alle woorden die je kent passen niet in de Van Dale noch in enig ander woordenboek. We zullen zien dat een lijst (en een woordenboek is eigenlijk niks anders dan een – leuk ingebonden – lange lijst) niet geschikt is om alle woorden van een taal op te sommen; we hebben iets anders nodig. In deze workshop proberen we uit te vinden wat er dan nodig is om alle woorden van een taal weer te geven. Interessant genoeg ontdekken we dan ook iets over hoe woorden in ons brein zijn opgeslagen.

Prof.dr. Anneke Neijt-Kappen, Radboud Universiteit Nijmegen: Spelling – geen trucjes maar het echte verhaal

In deze workshop gaan we werken aan uitleg van de spelling via het morfologische principe. Dat principe zegt dat je morfemen (dat zijn woorden en delen van woorden) zo veel mogelijk op dezelfde manier moet schrijven. Dus je blijft hij schrijven, ook al zeg je ie in Komt hij wel?

We onderzoeken of het haalbaar is ‘het echte verhaal’ te gebruiken in plaats van het trucje ‘zo kort mogelijk’ dat je in de eerste of tweede klas hebt gehad als je uit de schoolboeken les had: “Een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord schrijf je zo kort mogelijk: De stoel is bekleed – de beklede stoel.” (Zie Nieuw Nederlands vwo2, p. 202.)
Het echte verhaal gaat uit van de morfologische structuur van woorden. Die geef je aan met plusjes of haakjes, bijvoorbeeld:
morf+oloog+isch+e grenz+en geef je aan met plus+je+s
[[[[morf]o]loog]isch]e] [[grenz]en] geef je aan met [[[plus]je]s]

Wat is de uitleg van ‘zo kort mogelijk’ als je van morfologische structuren uitgaat? Zouden leerlingen in de onderbouw al met zulke morfologische analyses kunnen werken? Heeft het werken met morfologische structuren voordelen? Welke andere inzichten zou je ermee verwerven? En hoe goed ben je zelf in het doorgronden van de structuur van woorden?

Dr. Suzanne Aalberse, Universiteit van Amsterdam: Jij erge teef u liegt

Wat zeg jij/zegt u als je een caissière aanspreekt bij de kassa? U of jij  of je of misschien wel jullie (bij. verkopen jullie batterijen)? In het eerste deel van deze workshop kijken we naar factoren die bepalen welke aanspreekvorm je kiest bij het aanspreken van een bepaalde persoon in een bepaalde rol/situatie. Daarna vergelijken we het Nederlandse aanspreekvormensysteeem met dat van andere talen zoals het Engels, het Duits, het Spaans en het Frans. Uit die vergelijking zal in ieder geval blijken dat er met het Nederlands en het Engels iets bijzonders aan de hand is, de oorspronkelijke aanspreekvorm du (NL) en thou (ENGL) zijn verdwenen. Die verdwijning is heel uitzonderlijk. De vraag is hoe we die uitzonderlijke verdwijning kunnen verklaren. De uiting in de titel (‘jij valse teef u liegt’, vertaald uit 16e eeuws Nederlands) speelt een rol in de uiteindelijke oplossing. Deze workshop gaat over taalverandering & beleefdheid met speciale aandacht voor effecten van taalcontact en van taalverwerving.

Ella Bosch MA, Universiteit Utrecht: Hersenreacties op schelden en vloeken

In deze workshop kijken we naar hoe taal en emotie samenspelen in de hersenen. Wat zijn scheldwoorden eigenlijk? Waar zitten zulke woorden precies in het brein? Waarom vloeken we als we bijvoorbeeld onze teen stoten? Waarom schelden sommige mensen met Tourette zo veel? En hoe kunnen we meten wat emotie in taal met mensen doet?

Dunja Wackers, Universiteit Leiden: ‘Dus je zegt eigenlijk dat…’. Een discussie winnen met behulp van de techniek van de stroman

Als je een discussie met iemand aangaat, probeer je deze doorgaans te winnen. Het liefst bezit je natuurlijk de (inhoudelijk) sterkste argumenten voor de stelling die ter discussie staat, maar ook de manier waarop je je argumenten presenteert kan van groot belang zijn of een discussie in jouw voordeel wordt beslist. Daarnaast kun je argumenten van je tegenstander in de discussie op zodanige manier proberen te representeren dat deze een stuk minder overtuigend klinken. Er zijn verschillende manieren waarop je dit kunt doen, en als je ze subtiel toepast, zijn het stuk voor stuk manieren die het je eenvoudiger kunnen maken om een discussie te winnen. In deze workshop bekijken we een aantal manieren waarop je de woorden van je tegenstander op zo’n manier kunt herformuleren dat ze gemakkelijker weerlegd kunnen worden. Wat zijn effectieve strategieën, en wanneer val je door de mand?

Peter Alexander Kerkhof MA, Universiteit Leiden: Het oudste Nederlands in de schijnwerper

Sprekit ji thia Holtlandareo spraka? Deze zin zou je 1000 geleden gehoord kunnen hebben als iemand wilde weten of jij Oudnederlands sprak. Over dit Oudnederlands, de oudst overgeleverde voorouder van het Nederlands, weten taalwetenschappers vrij veel. Het Oudnederlands is bekend uit verschillende bronnen: Duizenden Oudnederlandse woorden en zinnetjes die door monniken in de kantlijn van Latijnse teksten zijn gezet . Honderden Oudnederlandse leenwoorden in het Frans. En niet te vergeten, enkele Oudnederlandse teksten, waarvan het ‘hebban olla vogela’-zinnetje het bekendste is. In deze workshop gaan we dit  Oudnederlandse taalmateriaal bekijken en ontdekken hoe deze teksten ons in staat stellen taal als tijdmachine te gebruiken. Met deze tijdmachine kunnen we terug de prehistorie in om te zien hoe het Nederlands van het Engels en het Duits is afgesplitst en hoe de geschiedenis van het Nederlands de geschiedenis van het Nederlandse taalgebied weerspiegelt.

 

 

 

 

 

Deel deze activiteit via: